Verslag symposium Kerken en Landbouw

31 januari 2026

Nijega, vrijdag 28 maart 2025

Opening en welkom

Opening door Pieter Knijff. Voorzitter Douwe Hiemstra is afwezig in verband met een ziekenhuisopname. Ook de secretaris is afwezig in verband met gezondheidsklachten. De rest van de werkgroep is aanwezig.

Opening door ds. Warner Veltman. Spreuk op de uitnodiging, geselecteerd door de voorzitter:

Bezorgdheid maakt een mens neerslachtig,

een hartelijk woord beurt hem op. Spreuken 12: 25

Bezorgdheid kan je te pakken krijgen, daar kun je last van hebben. Het is een feit dat dat zo gebeurt, maar dat is niet de bedoeling. De bezorgdheid moet niet de overhand krijgen.
Een hartelijk woord beurt hem op. Je kunt mensen naar beneden praten, maar ook opbeuren. Vanuit het kennen/zien van de bezorgdheid kan een weg worden gevonden om eruit te komen. Het gaat niet alleen om het menselijk woord, maar ook om het woord van Jezus. Ds. Veltman geeft ons mee (uit Matteüs 6): 
‘Wie van ons kan door zich zorgen te maken ook maar één el aan zijn levensduur toevoegen?’
Het thema van vandaag is die bezorgdheid.

Uitleg zorgen om, zorgen voor, zorgen dat

Dit thema gaat ons aan het hart. Boeren zijn lid van onze gemeente, maar ook pachter van ons land in de gemeente en lid van de kerk. Het zijn onze dorpsgenoten. Het werk van de boer heeft o.a. te maken met ons voedsel, de natuur, de dieren enz. Het gaat ons allemaal aan wat de boer doet.

Lezing Anne-Goaitske Breteler

Anne-Goaitske Breteler
antropoloog, auteur en tentoonstelling- en podcastmaker

Anne-Goaitske heeft onderzoek gedaan naar hoe er is omgegaan met de geestelijke gezondheid door de eeuwen heen. Hoe kan het dat er aanzienlijk veel suïcides op het platteland voorkomen? Dit in tegenstelling tot een relatief lage aanspraak op de GGZ. In haar lezing vertaalt ze haar bevindingen door afbeeldingen, maar ook door gedeelde ervaringen op te halen en te horen. Vaak ligt het verhaal dicht bij mensen zelf, en is het juist de binding met de grond en de agrarische cultuur die misschien nog wel verder doorwerkt in de huidige plattelander dan eerder gedacht. Anne-Goaitske is ook de auteur van het boek ‘De laatste dagen van de dorpsgek’, waarin bovenstaand beeld wordt beschreven.

Bezorgd zijn hoeft niet altijd negatief te zijn. Het kan ook gezien worden als meedenken met.
Anne-Goaitske heeft jaren lang onderzoek gedaan, archieven bezocht en interviews gehouden. Ze is dit traject dicht bij zichzelf begonnen.
Reinder Brolsma heeft begin 20e eeuw veel boeken geschreven over het platteland, vooral over mensen die het zwaar hadden. Reinder Brolsma was Anne-Goaitske haar ‘oer oer pake’ (overgrootvader). Hij heeft zelfmoord gepleegd op 71-jarige leeftijd. Anne-Goaitske wou de taboe doorbreken om anderen te kunnen informeren. Daarom is ze naar haar beppe gegaan om te vragen naar Reinder Brolsma. Via haar beppe heeft ze een dagboek gekregen. Daaruit bleek dat Reinder leidde aan doodsangst. Hij schreef in oorlogstijd voor de Duitse bezetter. Dit besluit lag hem heel zwaar. Beppe vond ook briefwisseling tussen hem en zijn dochter. Daarin wordt zijn gemoedstoestand beschreven. In 1953 heeft Reinder zichzelf verdronken in de Potmarge in Leeuwarden. Zijn klokje zat nog in zijn jas, waardoor zijn tijd van overlijden kon worden vastgesteld.
Dit klokje ligt nu in Tresoar. Het klokje van Reinder Brolsma staat symbool voor hoe er nu nog wordt omgegaan met geestelijke gezondheidszorg op het platteland. Hierover praten wordt nog altijd moeilijk bevonden. Hier is volgens Anne-Goaitske dus nog winst te behalen.

Anne-Goaitske vertelt over een bevriende psychiater, die van de stad naar het Friese platteland is verhuisd. Na jaren werkzaam te zijn geweest in de grote stad, was hij nu aan de slag in het MCL. Hij merkte een groot verschil in benadering van en omgang met de geestelijke gezondheidszorg. Toen hij zei dat een antropoloog hier eens naar zou moeten kijken voelde Anne-Goaitske zich aangesproken dit te doen.

Anne-Goaitske laat ons twee kaarten zien. Hierop is te zien dat vooral in de stad geestelijke gezondheidszorg wordt aangewend. Helaas betekent dit niet dat mensen op het platteland gelukkiger zijn. De andere kaart toont namelijk dat er op het platteland meer zelfmoorden worden gepleegd. Hier zit een discrepantie, die als verklaring heeft dat er op platteland geen (of weinig) hulp wordt gezocht.

Na haar onderzoek onderscheidt Anne-Goaitske een aantal archetypen op het platteland (die ook in haar boek worden beschreven):

  • De erflast van de boer


Anne Goaitske vertelt over een man die haar wilde helpen met haar onderzoek (in het boek Bokke Brúnja). Hij kwam uit een traditie van welgestelde boeren. Anne-Goaitske heeft zijn boerderij vaak bezocht, omdat hij erg voorzichtig was met het blootgeven van informatie. Hij was zich bewust van zijn voorouders, waardoor het best als een last werd ervaren om het bedrijf voort te zetten. Welke impact heeft zo’n erflast op de geestelijke gesteldheid van de boer? Er wordt weinig gedeeld over die emotie. Wanneer daar wel behoefte aan is kan dat problemen opleveren. Veel boeren wonen fysiek verder van het dorp af, afgezonderd van andere mensen. Ook door de mechanisatie komen er minder mensen over de vloer. Dit zorgt voor eenzaamheid en versterking van de problemen.
Sinds 2019 worden de meest extreme gevallen vanuit de gezondheidszorg bijgehouden. De agrarische sector staat op nummer 3 als het om zelfdodingen gaat. Gelukkig is er tegenwoordig wel meer oog voor deze problematiek, zoals door stichting ZOB en de beschikbaarheid van telefoonlijnen. Toch is er nog veel winst te behalen. Ons zorgsysteem is bijvoorbeeld niet ingericht op deze sector; boeren kunnen overdag niet weg van de boerderij voor zorgafspraken.
Veel boeren zijn zo vereenzelvigd met hun bedrijf dat het einde van het bedrijf soms ook letterlijk het einde van de boer betekent. In het gezin wordt hier vooral niet over gesproken, dan eerder in het dorp.
In sommige gevallen kiezen boeren zelfs voor emigratie om gezichtsverlies voor te zijn. Ze vertrekken om hun falen niet te tonen. Dit heeft waarschijnlijk ook te maken met het gevoel dat rondom boeren heerst in de huidige politieke situatie. In media wordt vooral het protest en extremisme getoond. In de praktijk komt dit alles voort uit wanhoop en angst om het bedrijf kwijt te raken. Anne-Goaitske roept op om het met z’n allen als taak zien om juist wel naar deze gevoelens te vragen.
Jaring Brunia is een boer die zich richt op natuurinclusieve landbouw. Daarnaast is Jaring nu coach voor boeren die hulp kunnen gebruiken bij vraagstukken. Hij is een voorbeeld van een boer die wel open is over moeilijkheden. Waar in zijn opleiding vooral aandacht was voor praktische zaken zoals hoe te melken had hij toen juist graag ondersteuning willen hebben in gespreksoefening over moeilijke onderwerpen.

Er zijn in het Fries veel woorden die te maken hebben met de natuur en de agrarische sector. Het is opvallend dat er weinig Friese woorden zijn voor neerslachtigheid. Anne-Goaitske vraagt de groep naar Friese woorden voor emoties. Een aantal reacties: nei gychem gean (deroan gean, kapot gean, deagean), tebeksetter (teloarstelling), oerémis (oerstjoer).

  • Het juk van de armoede


We bekijken filmbeelden van plaggehutten in Drenthe. Grote gezinnen met veel kinderen leefden in erg kleine hutjes. Vaak hadden zij een geit bij huis, de geit was de koe van toen.
Het gemoed moet daar zwaar geweest zijn; of er genoeg eten was enz. In de Fryske Wâlden werkten de mannen vaak als veenarbeider. De veenbazen van die tijd hadden vaak een winkel en een kroeg. Daar moest het zwaar verdiende geld van de veenarbeiders worden uitgegeven. Veel geld werd uitgegeven aan alcohol. Dit had z’n weerslag op het gedrag van de mannen. Helaas met mishandeling en misbruik als gevolg. De vrouwen uit die tijd moesten het ontgelden.  

Anne-Goaitske begint een bekend rijmpje (moordballade) over IJje Wijkstra:
‘En IJje Wijkstra uit Grootegast, die schoot vier agenten dood al door hun ribbenkast’
Wijkstra was verliefd op Aaltje van der Tuin en zij ook op hem. Zij verliet haar zes kinderen voor Wijkstra en trok bij hem in. Dat werd niet geaccepteerd en dus kwamen vier veldwachters Aaltje ophalen om haar weer terug te brengen bij haar kinderen. Op dat moment gebeurde er iets in het hoofd van Wijkstra waardoor hij de vier veldwachters doodschoot. Hij is na zijn daad gelijk opgepakt en naar het Rijkskrankzinnigengesticht gestuurd. Dit gebeurde op 18 januari 1929.
Het verhaal van IJje is een mythe geworden, er zijn boeken en films over hem gemaakt. Daaruit blijkt dat het gevoel van armoede uit die gebieden erg aanwezig was. Het huidige stemgedrag in die gemeenten laat dat gevoel van wantrouwen nog steeds zien. Dat leeft ook nu nog. Daarom is het ook nu belangrijk om te blijven praten. We moeten bezorgdheid delen met elkaar, en troost van elkaar accepteren.

  • Het keurslijf van de vrouw


Er is een beweging gaande dat vrouwen op de barricade staan. In de geschiedenis hebben vrouwen eigenlijk niets achtergelaten over hun gemoed. De vrouw was vooral de moeder van het gezin, en deed daarnaast het huidhouden en wat handwerken. Op het platteland hadden ze nog de vrijheid om mee te werken op het bedrijf, maar in de steden gingen vrouwen veelal gelijk uit het werk als zij een gezin kregen.
Moeders hadden zoveel taken en waren altijd aan de gang, dat ze hun gevoel wegstopten. Vrouwen waren niet gewend om tegen het beeld van de Bijbel in te gaan dat ze het zwakkere geslacht waren. Kindersterfte was toen – door een gebrek aan hygiëne en beperkte toegang tot gezondheidszorg – nog hoog, maar daar werd zo min mogelijk over gepraat. Dit is in de gezondheidszorg tot in de jaren ‘60 doorgegaan. Vrouwen moesten zich vooral richten op een volgende zwangerschap.
Er werd niet gesproken over verliezen binnen huiselijke kring. Anne-Goaitske vertelt over de vissersramp in Moddergat. De Ramp van Moddergat staat bekend als één van de dodelijkste vissersrampen uit de geschiedenis van Nederland. In de nacht van vijf op zes maart 1883 kwamen 121 vissers om door dezelfde storm. Het kustdorpje van Moddergat werd het zwaarst getroffen met 83 slachtoffers. In het dorp had bijna iedereen wel een verlies te betreuren. De vrouwen spraken daar niet over. Zij moesten kostwinner worden. Het verlies was alleen te zien aan de rouwkostuums van de vrouwen. Na de doleantie stond vissersgemeenschap aan de gereformeerde kant. Verdriet laten zien was op een bepaalde manier tornen aan Gods wil. Godsdienst is troostend, maar het stond openheid ook wel in de weg.
Anne-Goaitske vertelt tot slot over Zwarte Lydia. Zij was een rijke boerendochter, die had besloten om een afgesloten leven te leiden. Uit haar naam blijkt dat mensen haar als duister zagen. Mensen kenden haar wel maar was geen belangstelling voor haar, waardoor de steeds meer in zichzelf gekeerd raakte. Pas toen een journalist van een tijdschrift de inmiddels 62-jarige Lydia tegenkwam en foto’s maakte en publiceerde van haar en het uitgewoonde hok, scheen het dorp zich gerealiseerd te hebben dat haar situatie onhoudbaar was geworden. Naar aanleiding daarvan is ze naar een kliniek gestuurd, maar helaas overleed ze daar na een korte tijd.

De laatste dagen van de dorpsgek


Anne Goaitke verklaart de titel van haar boek (waar ze zich geregeld voor moet verantwoorden).  
Juist de simpele mensen werden vaak opgenomen in de samenleving. Een voorbeeld hiervan is Wiebe Reinstra uit Workum, een man met het syndroom van Down. Wiebe stond bekend als de schillenboer van Workum en trok met zijn gepersonaliseerde kar langs de deuren om oude schillen op te halen. Hij was een graag geziene dorpsgenoot.
De afhankelijkheid van opname door zijn omgeving maakte de dorpsgek kwetsbaar. Vooral ‘simpelen’ waren gewillige slachtoffers van pesterijen. Een voorbeeld hiervan is Sibbeltsje Geiteknibbeltsje. Dokkumer Sibbeltsje haalde het onkruid tussen de stenen vandaan. Sibbeltsje was een opvallende verschijning en kreeg al gauw de bijnaam Sibbeltsje Geiteknibbeltsje. Dat was een verwijzing naar het gerucht dat ze onder haar rok geen ondergoed droeg, waardoor ze plaste op de plek waar ze werkte. Ze hoefde daarvoor alleen door haar knieën te zakken, net zoals geiten dat doen.

Mensen zoals Sibbeltsje waren afhankelijk van de mensen om hun heen en helaas werd daar ook wel misbruik van gemaakt.
Tegenwoordig is er de GGZ en andere zorginstellingen. Als samenleving moeten we ook nu kijken naar de afwijkendheid van de mensen onderling. Tegenwoordig zijn mensen gauw bang om zelf de dorpsgek te zijn. Maar worden we er niet beter van om juist wel te praten met elkaar over je kwetsbaarheden?..

De wetenschap van psychiatrie is nog relatief jong. Neurologie is nog niet altijd in kaart gebracht. Bijvoorbeeld; therapie aan de hand van elektroshocks is nog in ontwikkeling.
Anne-Goaitske vertelt over Age en Ottje. Age en Ottje Bouwhuis stonden bekend om hun alternatieve genezing. Ottje had het vaak nog drukker dan de dokter in het dorp. Met het eeuwenoude receptenboek verdreef zij allerlei kwalen, zowel van geestelijke als fysieke aard. Zo had zij ook een recept voor een wonderbare balsem, tegen de zwijmeling van het hoofd. Dit recept ligt nu bij Tresoar.

Voordat het gesticht in Franeker werd geopend ontving de familie Tremper op Ameland mensen met een beperking. Zij hadden een kosthuis voor zo’n 4 a 5 bewoners per jaar. Vooral rijke mensen kwamen hier terecht. Ze kregen geen behandelmethode. Maar dit was wel de omslag richting genezing.

In Franeker werd het eerste provinciale krankzinnigengesticht geopend. In het begin was er ruimte voor 40 patiënten, later voor 600. De vraag ging omhoog en de ruimte kwam er ook.
Ze hadden veel land gekocht waar mensen op konden werken. Er was geen dwangmiddelengebruik. Vooral rust, reinheid en regelmaat. Het verblijf in het gesticht was niet alleen zwartgallig, er moest ook plezier worden gemaakt. Er waren veel feesten, er werd aan sport gedaan enz. Het ging er beter aan toe dan vaak wordt gedacht. Veel mensen die daar kwamen hadden een agrarische achtergrond en deden daarom aan arbeidstherapie op het land.

Van gecentraliseerde zorg in Franeker is het gegaan naar verspreidheid, de GGZ heeft districten. Door bezuinigingen waren er geen/minder bedden en veranderde de zorg naar ambulante zorg, waarbij mensen zorg krijgen in de eigen omgeving. Weet de samenleving nog wel hoe we om moeten gaan met deze mensen? Oproep; ga voorbij aan de angst en vraag meer aan je naasten hoe het echt met ze gaat!

Vragen en discussie

Er komt een vraag vanuit de zaal door iemand met een kind met een gedragsstoornis (autisme). Hij vertelt dat hij vaak discussies heeft met zijn vrouw of ze hier open over moeten zijn of niet. Hij heeft namelijk ondervonden dat het ook tegen je kan werken; zo heeft het kind ontslag gekregen en waren er geluiden vanuit het dorp dat het kind beter opgevoed had moeten worden.
Anne-Goaitske zegt dat hier nog veel winst valt te behalen. Kinderen onderling gaan hier niet anders mee om. Vroeger was er in het onderwijs meer tijd en aandacht voor deze kinderen. Bedrijven horen ook deze mensen in dienst te nemen, in de praktijk loopt dit toch vaak anders.
Vader en Anne-Goaitske zijn het eens dat de discussie wel moet worden aangegaan; gooi het maar open om reactie te krijgen. Want wat is nu eigenlijk normaal?

Er komt een vraag vanuit een pastoraal medewerker. Wat als mensen ervoor kiezen niet echt open te zijn? Stel je vraagt er wel naar, maar mensen vertellen niet wat er echt in hun hart leeft? Kan ik anders dan dit respecteren? Hoe kun je dit bespreekbaar maken?
Vanuit de zaal komt reactie dat de manier hoe je binnenkomt al een heel verschil maakt. Porbeer je zorgen goed onder woorden brengen. Advies: doe je laarzen en overall aan als je langs gaat. Ga mee naar achteren, daar komen de gesprekken meer op gang dan voor in de kamer.
Ander advies: niet ’s avonds langsgaan maar bijvoorbeeld rond 16.30, in de melkput. Dan zit sta je namelijk niet tegenover elkaar, maar ben je meer met elkaar.
Een andere tactiek kan zijn om juist met de vrouw en/of kinderen te spreken i.p.v. de persoon waarover je zorgen hebt.

Er komt een advies van een oud-adviseur. Hij komt nog wel bij boeren over de vloer, ook stoppende boeren. Praat niet alleen met die boer, de stoppende generatie, maar ga ook het gesprek aan met de ouders. Het moet breder aangevlogen worden om de familieband heel te houden.
Nog een tip: over het bedrijf willen ze vaak wel praten, niet over privé. Als je via het bedrijf begint, kun je het gesprek wel sturen richting privé.

Een andere reactie uit de zaal: de bedrijfsoverdracht is heel ingewikkeld geworden.
Hij kent een boer die gaat emigreren naar Tasmanië, vanwege de boerenproblematiek. Je merkt de zorgen van deze mensen. Probeer begrip te hebben voor behoeften en zorgen.

ZOB

Gjalt Mulder vertelt over ZOB – Organisatie Zorg Om Boer en Tuinder.
Boeren en tuinders staan soms voor moeilijke keuzes in het bedrijf, voor het gezin en voor zichzelf. Stichting Zorg om Boer en Tuinder helpt ondernemers op een kruispunt om richting te bepalen.
De organisatie bestaat al zo’n 30 jaar, met 60 vrijwilligers (4 regio’s en 4 coördinatoren). Deze vrijwilligers gaan kosteloos naar de boeren toe. Ze luisteren zonder oordeel en vragen door naar het probleem achter de vraag. Ze proberen het niet op voorhand al in te vullen, maar vragen wat er echt is.
Het grote probleem is dat ze pas ergens mogen komen als de mensen zelf bellen. Ze mogen dit niet op eigen initiatief doen. Gjalt laat weten dat ze er zijn en dat ze hun olievlek graag wat groter willen maken. Ze kunnen wel wat hulp gebruiken om te laten weten dat ze er zijn.
De complexiteit van de vraagstukken neemt toe. Stoppen is voor boeren tegenwoordig een serieuze optie. De aanleiding hiervoor is een opeenstapeling van verschillende factoren. De mentale druk om dit aan de familie te vertellen is een drempel. Emigratie is volgens Gjalt nog niet een veel voorkomend fenomeen.
Gjalt geeft advies voor een mooie openingszin; ik zie dat je ergens over in zit. Heb je iemand om daar over te praten?
Tot slot richt Gjalt zich tot de zaal; weet dat je ook kunt doorverwijzen naar de ZOB!

Afsluiting

Hiermee komt het symposium tot een eind. Pieter Knijff bedankt Anne Goaitske in het bijzonder, met een cadeau uitgezocht door de voorzitter; klompjes met de naam van haar zoon en een pakket met streekproducten.
Tot slot wordt iedereen bedankt voor zijn komst en deelname aan de geslaagde ochtend.

Werkgroep Kerken en Landbouw Fryslân is verbonden aan: